Taalprobleem: pas / maar

FOUT ? Michael Schumacher is pas zevende.

Is die zin fout?
Dat hangt ervan af.

Hij is juist als wordt bedoeld: “Michael Schumacher is nog niet lang geleden over de eindstreep gereden, en hij eindigde op de zevende plaats.”
Als echter wordt bedoeld: “Michael Schumacher eindigde niet hoger in de uitslag dan op de zevende plaats,” dan is het fout.

‘Pas’ is een bijwoord van tijd.
Zoals de meeste bijwoorden heeft het een heel scala aan betekenissen, die erg met elkaar verwant zijn.

Het betekent in de eerste plaats: “juist, net, zopas, zo-even, nog niet lang’.

Voorbeelden:
– Hij is pas vertrokken.
– Het bericht is pas aangekomen.
– Hij is pas klaar.

‘Pas’ betekent ook: ‘niet later dan’.
Voorbeelden:
– Het is pas acht uur.
– Pas tien jaar na de moord werd de dader gearresteerd.

‘Pas’ betekent verder: ‘niet ouder dan’.
Voorbeelden:
– Ze is pas twintig jaar.

En ook: ‘niet verder dan’.
Voorbeelden:
– We zijn pas in Utrecht.

En ‘nog maar net’.
Voorbeelden:
– Dat is pas het begin.

Er is meer: het betekent ook ‘niet eerder dan’.
Voorbeelden:
– Hij staat pas om acht uur op.
– dan pas
– nu pas

Onze openingszin moet dus zijn:
– Michael Schumacher is maar zevende.
– Michael Schumacher is slechts zevende.

Maar toch hoor je nogal eens ‘pas’ in zinnen zoals onze openingszin.

Waar komt dat vandaan?
Het is een hypercorrectie.
Het Franse ‘que’ wordt vaak vertaald door ‘maar’.

Voorbeelden:

– Frans: ‘Il ne vient que demain’ wordt FOUT ‘Hij komt maar morgen’ i.p.v. GOED ‘Hij komt pas morgen’.

– Frans: ‘Il ne reviendra qu’en 2007’ wordt FOUT ‘Hij komt maar in 2007 terug.’ i.p.v. GOED ‘Hij komt pas in 2007 terug.’

Let wel: ‘que’ vertalen als ‘maar’ is niet per se verkeerd, maar het is wel verkeerd als het om een tijdsbepaling gaat.
Met andere woorden: men leert dat ‘maar’ vaak verkeerd is, en dat het in zo’n geval ‘pas’ moet zijn. Daardoor gaat men ook ‘maar’ vervangen door ‘pas’ waar het ‘maar’ moet blijven. Dat is hypercorrectie.
Hypercorrectie ontstaat eigenlijk omdat men de taalregel niet goed kent. Men weet wel dat er iets verkeerd is, maar men weet niet precies wat. En daardoor ontstaan zinnen zoals: ‘Michael Schumacher is pas zevende.’ (hypercorrectie vorm) terwijl ‘Michael Schumacher is maar zevende.’ goed is, maar als fout wordt aangevoeld.

Tellen van vertalingen

Een collega meldde dit probleem:

“Ik heb onlangs een korte tekst vertaald waarin een paar keer denaam van een bedrijf werd genoemd. De opdrachtgever heeft het aantal keren dat deze naam voorkwam van het totale aantal woorden afgetrokken (rond 6%) omdat de naam niet vertaald diende te worden.”

De klant maakte om te beginnen als klant een fout, want hij had dat niet met de vertaler afgesproken toen hij de opdracht aanbood.
Maar daar stopt het niet.
Ook de redenering van de klant klopt niet.
Er moet bijv. wel worden uitgezocht of de naam grammaticaal op dejuiste plek in de zin zit, er moet worden beslist of de naam in bron- endoeltaal op dezelfde manier gebruikt kan worden (samenstellingen, naamval, geslacht, meervoudsvormen…), er moet zelfs worden beslist ofde naam in de doeltaal überhaupt wel steeds gebruikt moet worden: misschien moet het product- of de bedrijfsnaam in sommigezinnen worden weggelaten of toegevoegd.
Ook is een woordtelling maar een hulpmiddel om een idee tekrijgen van de omvang van het werk. De berekening is nietgebaseerd op de feitelijke inspanning per woord, al was het maaromdat een vertaler niet woord voor woord vertaalt, maar pertekst/tekstdeel/idee/zin/zinsdeel.
De feitelijke inspanning per woord varieert zeer, soms zoek je een kwartier of uur naar één woord, soms zijnhele zinnen glashelder en gaat het allemaal heel snel.
Ook voorzover een naam inderdaad weinig inspanning kost, dan nogtelt hij mee voor het gemiddelde. Ook woordjes als “de”, “is” en”in” zijn (soms, afhankelijk van taalpaar) heel snel te vertalen,maar tellen toch volledig mee. Als zulke woorden niet meegeteldwerden, zou redelijkerwijs ook voor lastige termen die veelresearch vereisen een (hoger) uurtarief moeten gelden. Dat wil deopdrachtgever vast ook niet. In teksten met veel (soms losse)lastige termen kan dat erg oplopen.
De vertaler bepaalt zijn prijs op basis van een gemiddelde inspanning per woord/zin/teken.
Een woordtarief heeft vrijwel niets met het werk per woordte maken.

Taalprobleem: apostrof bij verkleinwoorden van cijfer- en letterwoorden

FOUT Hij had zijn hele carrière bij hetzelfde aanneembedrijf gewerkt,en zijn cv’tje besloeg amper een half A4-tje.

GOED Hij had zijn hele carrière bij hetzelfde aanneembedrijf gewerkt,en zijn cv’tje besloeg amper een half A4’tje.

VERKLARING
Je gebruikt een apostrof bij verkleinwoorden van cijfer- en letterwoorden.

De apostrof wordt gebruikt bij afleidingen (o.a. verkleinwoorden enbezitsaanduidingen of genitiefvormen) en meervoudsvormen van cijfer- en letterwoorden. Het gaat hierbij om de achtervoegsels -tje, -er/-ster en -s. Het is daarom A4’tje en bijvoorbeeld ook 65+’er, VVD’ster, NV’s, tv’tje en PvdA’s beleid.

Bijzonderheid
In samenstellingen waarin het eerste lid een cijfer- of letterwoord is,schrijven we een koppelteken: A4-formaat, 65+-pas, VVD-vrouw, tv-toestel, PvdA-beleid.

Wanneer we A4’tje willen afbreken aan het eind van een regel, wat weoverigens beter kunnen vermijden, dan schrijven we wel een koppelteken. De apostrof valt dan weg: A4-/tje en ook: 65+:-er, PvdA-/ster, tv-/tje.

Taalprobleem: meervoudsvormen van tijdaanduidingen

FOUT Na amper zes maand als minister stapt hij op.

GOED Na amper zes maanden als minister stapt hij op.

VERKLARING

Alleen de tijdaanduidingen op -r blijven in het enkelvoud na een bepaald telwoord. Het is dus zes uur, zes jaar, zes kwartier.

Na een onbepaald telwoord worden die woorden wél verbogen.Het is dus ook: een paar uur, een paar jaar, een paar kwartier.

Echter: de tijdaanduidingen die niét op een -r eindigen, worden wel in het meervoud gezet na een bepaald telwoord. Het is dus: zes dagen, zes weken, zes maanden.

Tijdaanduidingen die niet op een -r eindigen, worden dus na een meervoudig telwoord altijd in het meervoud gezet.

Het is een van de moeilijkste regels, omdat sommige dialecten anders werken. Ik heb hem dan ook op een etiketje geschreven en dat op de rand van mijn pc-monitor gekleefd.

Taalprobleem: onverwachte plaatsnamen

FOUT Hong Kong wordt op de Olympische Spelen van 2008 het Mekka van de paardensport.

GOED Hongkong wordt op de Olympische Spelen van 2008 het mekka van de paardensport.

VERKLARING
Bovenstaande zinnen bevatten twéé fouten.
– In het Nederlands spellen we Hongkong in één woord. De vuistregel is dat we aaneenschrijven wat slechts één woordaccent draagt, m.a.w.: wat één woord is. Het woordaccent is dus een regel om te herkennen of iets één of meer woorden is. En voor iemand een opmerking maakt: het vraagt inderdaad een goed ontwikkeld gehoor en idem taalgevoeligheid om in alle gevallen het woordaccenten te herkennen en te onderscheiden van bijvoorbeeld het secundaire woordaccent bij lange woorden, en van andere accenten zoals zinskernaccenten, zinsaccenten en beklemtoningsaccenten Of: have fun !
– Alleen de plaatsnaam Mekka krijgt een hoofdletter; in figuurlijke zin wordt mekka met kleine letter gespeld.

Taalprobleem: getal van munteenheden en maataanduidingen

FOUT
a) Van Cauwenberghe spreekt van honderden miljoenen euro.
b) In korte tijd stond er een file van tientallen kilometer.

GOED
a’) Van Cauwenberghe spreekt van honderden miljoenen euro’s.
b’) In korte tijd stond er een file van tientallen kilometers.

VERKLARING
Na een onbepaald telwoord (honderden miljoenen, tientallen) staat een munteenheid en een maataanduiding in het meervoud.

Taalprobleem: lidwoorden en persoonsnamen

FOUT Een getuige, die zelf een politieagent is, had de jongeman zienwegrijden.

GOED Een getuige, die zelf politieagent is, had de jongeman zien wegrijden.

VERKLARING

Geen lidwoord als de persoonsnaam (hier politieagent) een functie of beroep aanduidt. De ANS legt het verschil uit tussen de constructie met en zonderlidwoord.

Bij substantieven als naamwoordelijk deel van het gezegde

1 Als naamwoordelijk deel van het gezegde worden persoonsnamen zonder lidwoord gebruikt om een kenmerkende hoedanigheid, met name een functie of beroep (zie voorbeeld (1a)), een nationaliteit (zie voorbeeld (2a)) of een levensbeschouwing (zie voorbeeld (3a)) aan te duiden.
Voorbeelden:

(1a) Willem is soldaat.
(2a) Hij is Belg.
(3a) Hij is overtuigd christen.

Zinnen als (1a), (2a) en (3a) kunnen ook met een lidwoord voorkomen (voor het gebruik van het als onderwerp: zie ):

(1b) Willem is een soldaat.
(2b) Hij/het is een Belg.
(3b) Hij/het is een overtuigd christen.

Opmerking 1
Bij uitzondering worden ook verwantschapsnamen zonder lidwoord op deze manier gebruikt,
bijv.:
(i) Mijn broer Cornelis is vanmorgen vader geworden en nu ben ik dus oom.
Ook man en vrouw kunnen op een dergelijke manier gebruikt worden:
(ii) Zij zijn nu man en vrouw.

Tussen de (a) – en de (b) -zinnen is een aantal verschillen aan te geven.

[a] In de (a) -zinnen kan de aard van de kwalificering geëxpliciteerdworden, wat in de (b) -zinnen onmogelijk is omdat hier een individu met een bepaald beroep enz. wordt genoemd:

(4a) Hij is advocaat van beroep.
(4b) Hij/het is een advocaat van beroep. [uitgesloten]
(5a) Hij is Belg van nationaliteit.
(5b) Hij/het is een Belg van nationaliteit. [uitgesloten]
(6a) Hij is christen van religie.
(6b) Hij/het is een christen van religie. [uitgesloten]

[b] Dat in de (a) -zinnen niet geïndividualiseerd wordt, blijkt ook uit demogelijkheid de substantieven zonder lidwoord die een beroep of functieaanduiden, onderwerp te doen zijn van een gezegde als: … is een (mooienz.) beroep, … is een (hoge enz.) functie .

Voor de substantieven met lidwoord is dit onmogelijk, omdat een advocaat enz. geen beroep of functie noemt, maar een individu.

Voorbeelden:
(7a) Opticien is een mooi beroep.
(8) Partijsecretaris is een belangrijke functie.
Maar:
(7b) Een opticien is een mooi beroep. [uitgesloten]

[c] De beide types vertonen ook verschillen wat de toevoegbaarheid vanvoor- en nabepalingen betreft.

Substantieven zonder lidwoord kunnen alleen dan voor- of nabepalingen krijgen als de resulterende combinatie nog als geheel een beroep, een functie enz. kan uitdrukken.
Wordt bijv. een adjectief als voorbepaling gebruikt, dan moet er semantisch een hechte eenheid bestaan tussen adjectief en substantief.
Voorbeelden:
(9) Zijn vader was gediplomeerd opticien.
(10) Hij is nog praktiserend arts.
(11) Peter wordt wetenschappelijk medewerker.

Nabepalingen worden frequent gebruikt bij substantieven die een beroepnoemen of een functie, om dat beroep of die functie te specificeren.

Voorbeelden:
(12) Hij is doctor in de theologie/hoogleraar (in de) wiskunde/leraarNederlands/directeur van een ziekenhuis/ziekenhuisdirecteur/leider van eenjeugdbeweging/jeugdleider.

Onmogelijk daarentegen is een betrekkelijke bijzin als bijvoeglijkenabepaling:
(13) Hij is tandarts die het niet zo nauw neemt. [uitgesloten]
(14) Peter is communist die nooit op straat komt. [uitgesloten]

In de bijzin wordt namelijk geen specialiserende informatie over een functie enz. verstrekt, maar wel informatie over een persoon.

Opmerking 2
Het gebruik van substantieven zonder lidwoord als voorstuk in uitroepende zinnen is van een andere aard. Het substantief is hierin geen naamwoordelijk deel van het gezegde.

Voorbeeld:
(i) Communist die/dat je bent!

We hebben hier te maken met een bijzonder type zinnen, waarin debetrekkelijke bijzin vrijwel inhoudsloos geworden is.

(zie verder ook http://oase.uci.kun.nl/~ans/e-ans/23/05/02/04/body.html )

[d] Verder valt nog een onderscheid te signaleren dat betrekking heeft op de objectiviteit of subjectiviteit van de uitingen. De zinnen zonderlidwoord kunnen namelijk nooit gebruikt worden om een oordeel of waardering uit te spreken. De kwalificering is derhalve steeds objectief. Is het lidwoord aanwezig, dan kunnen de zinnen wel een subjectief karakter hebben.

Vergelijk:
(15a) Hij is artiest.
(15b) Hij is een artiest.

Terwijl in (15a) aan een persoon een feitelijke hoedanigheid wordttoegekend, waardoor de zin als mededeling van een feit kan worden getypeerd, kan (15b) een subjectief oordeel inhouden: de persoon in het onderwerp genoemd hoeft geen artiest te zijn, maar hij wordt ingedeeld in de klasse van artiesten, bijv. omdat hij zich gedraagt zoals een artiest dat doet.

Dat met zinnen van het (a) -type nooit een oordeel of waardering tekennen wordt gegeven, impliceert dat substantieven die altijd eensubjectieve betekenis hebben, niet in dit type kunnen fungeren,
bijv.:
(16) Hij is stommeling/kwajongen/bedrieger/klaploper/dweper/dief/gangster.<>

Met de onmogelijkheid van subjectiviteit hangt ook de onmogelijkheid samen om het substantief een verkleinwoordvorm te geven, behalve als het gevallen betreft waarin de niet-verkleinwoordvorm nooit of slechts zelden gebruikt wordt en waarin het verkleinwoord geen affectieve betekenis heeft.
Voorbeelden:
(17) Hij is doktertje/kruideniertje/communistje/Belgje. [uitgesloten]
<BRDe volgende zin is mogelijk omdat het substantief alleen naar de vorm een verkleinwoord is:

(18) Zij is dienstmeisje.

Een substantief zonder lidwoord komt ook nooit voor in zinnen waarin despreker zich minachtend uitlaat over een andere persoon,
bijv.:
(19a) Hij is me ook advocaat. [uitgesloten]
(19b) Hij is me ook een advocaat.

Opmerking 3
Van een andere aard is weer het gebruik van een substantief zonder lidwoord in uitroepende zinnen (zie Opmerking 2), die altijd een emotionele waardering inhouden:
(i) Communist(je) dat je bent!
(ii) Advocaat(je) dat je bent!
In dit type kunnen ook substantieven gebruikt worden waaruit altijd een negatieve waardering blijkt:
(iii) Stommeling dat je bent!
(iv) Kwajongen die je bent!
[e] Zinnen met een meervoudig onderwerp behoren tot het (a) -type als ze een enkelvoudig naamwoordelijk deel bevatten, tot het (b) -type als het naamwoordelijk deel meervoudig is.

Vergelijk:
(20a) Ze zijn allebei praktiserend arts.
(20b) Ze zijn allebei praktiserende artsen.
(21a) Ze zijn allebei arts van beroep.
(21b) Ze zijn allebei artsen van beroep. [uitgesloten]
(22a) Ze zijn allebei arts die een drukke praktijk heeft.[uitgesloten]
(22b) Ze zijn allebei artsen die een drukke praktijk hebben.

2 Ook zaaknamen kunnen als naamwoordelijk deel van het gezegde zonder lidwoord voorkomen,

bijv.:
(23) Deze kamer is opslagplaats.
(24) Dat zinsdeel is bijwoordelijke bepaling.
Evenals bij persoonsnamen worden hier functies, geen concrete zakenaangeduid, wat duidelijk wordt door omschrijving met gebruikt worden als, fungeren als:

(25) Deze kamer wordt gebruikt als opslagplaats.
(26) Dat zinsdeel fungeert als bijwoordelijke bepaling.

Wat de syntactische mogelijkheden betreft, geldt hetzelfde als wat in 1 voor zinnen met persoonsnamen gezegd is.

Vergelijk:
(27a) Deze kamer is uitstekende opslagplaats. [uitgesloten]
(27b) Deze kamer is een uitstekende opslagplaats.

Opmerking 4
Ten slotte dient nog vermeld te worden dat het naamwoordelijk deel van het gezegde ook een functie met een spelkarakter kan aanduiden; zowel persoonsnamen als diernamen als zaaknamen zijn hier mogelijk,
bijv.:
(i) Jantje was d
okter en zijn zusje patiënt.
(ii) Jantje was mus en Piet merel.
(iii) Jij was stoel en ik tafel.

Als niet aan een dergelijke functie met spelkarakter gedacht kan worden, is een diernaam of zaaknaam zonder lidwoord onmogelijk,
bijv.:
(iv) Die vogel is mus. [uitgesloten]
(v) De walvis is zoogdier. [uitgesloten]

Taalprobleem: streepje of geen streepje bij combinaties met eigennamen

FOUT Voor het eerst sinds de uitspraak heeft de familie-Jackson gereageerd.

GOED Voor het eerst sinds de uitspraak heeft de familie Jackson gereageerd.

VERKLARING

Het is een interessant geval: geen streepje in de familie Jackson. Met een streepje geven we aan dat een groep, werkstuk of kwestie naar iemand genoemd is: de commissie-Geerts, het rapport-Van Traa, de zaak-Dutroux. De familie is niet genoemd naar Jackson, ze heet gewoon zo.