Eivol eieren: het ei in vier talen

Chicken in nest with eggs isolated on white

Het eenvoudige ei is niet alleen een alledaags voedingsmiddel, maar ook een woord dat ons een interessante blik biedt op taal en cultuur. In vier veelgesproken Europese talen (Nederlands, Frans, Engels en Duits) heeft het woord “ei” zijn eigen vorm, klank en geschiedenis.

In het Nederlands spreken we van een “ei”. Het meervoud, “eieren”, laat meteen zien dat het woord een onregelmatige vorm heeft. Deze variatie is typisch voor oudere woorden in de taal en gaat terug tot het Oudnederlands. Het meervoud is een stapelmeervoud. Dat wil zeggen dat de meervoudsvorm een opeenstapeling is van meervoudsvormen. Het oorspronkelijke meervoud van “ei” was “eier”, zoals “kind” in het meervoud “kinder” was, maar de meervoudsvorm -er was verloren gegaan, werd niet meer herkend, en daarom werd er de bekendere vorm -en aan toegevoegd, waardoor “eieren” en ook “kinderen” ontstond.

In het Frans wordt een ei “œuf” genoemd, met als meervoud “œufs”.

Het Engels gebruikt het woord “egg”, met het regelmatige meervoud “eggs”. Dit woord is kort en krachtig en heeft zijn wortels in het Oudengels “æg”, dat sterk lijkt op de Nederlandse vorm.

In het Duits tenslotte heet een ei “Ei”, met het meervoud “Eier”. Het Duits heeft dus de meervoudsvorm -er wel nog bewaard, in tegenstelling tot het Nederlands.

Deze vier woorden tonen duidelijk hoe talen verwant kunnen zijn en toch hun eigen weg gaan. Nederlands, Engels en Duits delen een gemeenschappelijke basis: het zijn Germaanse talen. Frans is een Romaanse taal, maar hoort net als de andere drie talen bij de Indo-Europese talen, zodat de verwantschappen tussen Frans en de andere drie veel verder in het verleden liggen, en moeilijker herkenbaar zijn. Bovendien wijzen schijnbare overeenkomsten niet noodzakelijk op echte overeenkomsten.

Een mooi moment waarop deze woorden samenkomen in de praktijk is Pasen. Denk aan het zoeken naar “paaseieren” in het Nederlands, “œufs de Pâques” in het Frans, “Easter eggs” in het Engels en “Ostereier “in het Duits. Hoewel de woorden verschillen, is de traditie herkenbaar: het ei als symbool van nieuw leven in de lente.

Zo laat zelfs een klein woord als “ei” zien hoe taal, geschiedenis en cultuur met elkaar verweven zijn en hoe we elkaar toch begrijpen, zelfs als we verschillende woorden gebruiken.

Paaszondag, 5 april 2026

Is de ene taal efficiënter dan de andere?

door Peter Motte, vertaler

Iedereen denkt wel eens dat zijn eigen taal de efficiëntste is, maar het is moeilijk om talen te vergelijken. Ik ken er ongeveer vier of vijf, misschien zes (als je er mijn dialect bijneemt), en vergelijk dus ook wel eens.


Mijn gevoel is dat als je een gemiddelde zou kunnen meten van de efficiëntie van een taal, ze allemaal zowat hetzelfde scoren.


Voorbeeldje: werkwoordsvervoegingen in het Frans en in het Japans.


De werkwoordsvervoegingen zijn in het Japans veel sneller geleerd dan in het Frans, omdat er in het Japans maar twee tijden bestaan (heden/toekomende en verleden) terwijl er in het Frans 17 zijn (al is dat misschien wat geforceerd, laten we het houden op 10 en de subjonctif en conditionnel erbuiten houden).


Bovendien kennen de Japanse werkwoorden géén getalsvorm of aparte persoonsvormen. Dat is dus 1 vorm waar het Frans al 6 vormen telt. Met 2 Japanse vormen kun je evenveel doen als met zowat 60 (!) Franse vormen. Toegegeven, die 60 is wat overdreven, want sommige zijn gelijk, maar je moet er toch rekening mee houden want het varieert van werkwoord tot werkwoord.


Over die vormvariatie tussen de werkwoordtypen gesproken: het Japans heeft er eigenlijk maar 4, de Franse Bescherelle vermeldt er… 82! (alhoewel ook dat cijfer wat geforceerd is).


Met andere woorden: als je niet té moeilijke zinnen wilt bouwen in het Japans, kom je er als spreker redelijk snel mee uit de voeten, terwijl je voor Frans lange tijd telkens een nieuwe tabel moet leren omdat er zo veel verschillende werkwoordtypen zijn.


Maar, ho, vanaf het moment dat je wat veeleisenders wilt zeggen, zoals wij met de hulp-werkwoorden kunnen, moeten, enz. doen, krijg je er in het Japans een hele resem extra vormen bij die je achter aan het werkwoord moet plakken. Om je ideeën dus echt genuanceerd in het Japans te kunnen uitdrukken, eindig je dus uiteindelijk met evenveel problemen als in het Frans. Je moet achter aan Japanse werkwoorden het een en ander toevoegen om allerlei aspecten uit te drukken. Zoals gewoonlijk zit in het Japans het venijn in de staart.


Mijn fingerspitzengefühl zegt me dus dat om de Japanse en de Franse werkwoorden op voldoende hoog niveau te kunnen gebruiken, je uiteindelijk evenveel moeite zult moeten doen, en de aanvankelijke efficiëntiewinst bij Japans leren en gebruiken gaat ten slotte verloren, zodat Japans en Frans op hetzelfde efficiëntieniveau uitkomen.

Wat mij betreft zijn alle talen even efficiënt. Of even inefficiënt. Hangt er maar vanaf hoe je het bekijkt.

woensdag, 11 februari 2026

Three source languages is overdone. Or is it?

To lots of people it sounds overdone: “Three source languages: German, English and French”.
Wouldn’t it be better to stick to one?
But combined with Dutch the picture changes.
Lots of companies use internally more than one language, and as the Netherlands are surrounded by regions in which those three languages play an important role, their companies also tend to use two to three of those languages.
That’s why those three source languages are ideally suited to help out businesses, because their documents often need all of those languages, and not only one.
Therefore have German, English and French as source languages gives my services an ideal position to help out companies, whether it’s for their internal documents or for their costumer oriented documents, in Belgium and in the Netherlands.

Is de Franse grammatica overbodig ingewikkeld?

Frans schrijft veel blijkbaar overbodige letters, want je hoort ze gewoon niet.

De Franse grammatica lijkt daardoor een opeenstapeling van regeltjes die alleen maar dienen om het moeilijker te maken dan het is, of om de indruk te wekken dat de Franse taal iets voor intelligente mensen is, of dat het bedacht is door mensen die zo onder de indruk waren van het Latijn dat ze vonden dat een taal alleen maar goed kon zijn of prestige kon hebben als ze een even complex netwerk van regels had.

Maar toch kom je gevallen tegen waaruit duidelijk is dat die regels niet nutteloos zijn.

Dat is natuurlijk vooral het geval in lange zinnen, maar het komt ook in eenvoudiger zinnen voor.

Hier een voorbeeld:

Les commandes doivent être contrôlées tous les jours dans 2 affichages de liste distincts.

Waar hoort die “distinct” bij? Gaat het om de “affichages” of om de “liste”? Het onderscheid is alleen maar duidelijk doordat “distincts” in het meervoud staat, en dus bij “affichages” hoort en niet bij het enkelvoudige “liste”.

Mijn oplossing was:

De bestellingen moeten elke dag worden gecontroleerd in twee verschillende weergaven van de lijst.

Na zoiets vraag ik me wel eens af: hoe merken de Fransen dan het onderscheid in de spreektaal? Maar dat is natuurlijk een kwestie van accent, intonatie en context.

donderdag, 16 oktober 2025